menu

Mijn kop, mijn kop is stuk

“U zal aan mijn accent horen dat ik geen Nederlandse ben. Ik heb over de hele wereld gewoond. Toen mijn man overleed woonden we hier, op nummer 14.” “Hoe lang geleden is hij overleden?” Ze dacht er geen seconde over na. “U moet niet van die moeilijke vragen stellen. Nu zit ik letterlijk achter de geraniums. En figuurlijk.”

Ze draaide glimlachend naar de keuken. “Thee?” Op tafel lag een kruiswoordpuzzel en een tablet, met een onafgemaakt spel Solitaire. “Kijkt u eens.” Ze hield me een verpakking voor, Russian Earl Grey. “Russische thee?”

Ik krijg morgen een hond

Ze wees naar de hondenmand. “Ik krijg morgen een hond te logeren. Zelf had ik een hond, maar die is een paar jaar geleden overleden – nee, deze zomer.” Ze dacht er even over na. “Eerst ging de bovenbuurvrouw, toen mijn broer, toen een vriendin, toen Lady.” Ze schrok op uit haar gedachten. “Het theewater verdampt. Mijn kop is stuk.” Ze schudde haar hoofd. “Zelf wil ik geen hond meer. Ze zou me overleven. Dat kun je een hond niet aandoen…” Ze keerde haar rug naar me toe en liep richting de keuken. “… Alleen achterblijven.” Even hield ze stil. “Lady moest zo piepen als je haar alleen achterliet. Alleen in de auto wilde ze wachten, want dan wist ze dat je terug zou komen. Tegenwoordig staat die maar te verpieteren in de garage, de wagen.” Ze maakte een beweging alsof ze de auto wilde aaien.

Mijn kop is tuk

“Lady sliep altijd aan mijn voeteneinde. Af en toe kwam ze dan even kijken of ik nog leefde… Thee! U krijgt geen thee. Mijn kop, mijn kop is stuk.” Uiteindelijk kwam ze toch terug met de theepot. Ze zakte wat onhandig door haar knieën om twee stomende kopjes in te schenken. Ze keek graag natuurfilms op tv, het liefst van verre landen. Ze had de wereld rondgereisd, nu paste haar reilen en zeilen in één kamer. Het ontbrak haar niet aan de conditie om weer te gaan reizen, noch aan geld. Haar kinderen, die net als zij de hele wereld over waren geëmigreerd, zouden haar kunnen ontvangen. “Mijn leven is goed zo. Ik mag niet klagen. En” – ik wist al wat ze ging zeggen – “mijn kop is stuk.” Het was tijd voor mij om te gaan.

Ik verdoe je tijd

“Arme jongen, ik verdoe je tijd met al deze verhalen.” Ik weersprak het, we hadden fijn gesproken. “U moet ook eens bij de buurvrouw langs. Zij heeft heel interessante verhalen.” Ze zocht tussen haar aantekeningen hoe die buurvrouw ook alweer heette. “Interessanter dan de mijne.” Ik bedankte haar voor de tip, het gesprek, de thee. “Misschien kom ik u nog eens tegen,” zwaaide ze vanuit de deuropening.

Moet iemand haar redden?

In bijna iedere zin had ze me het gevoel gegeven dat ze mijn hulp wilde, misschien zelfs zonder het zelf te weten. Naar huis fietsend, werd ik geplaagd door een vraag. Het was misschien dezelfde vraag waar haar kinderen, de wijkverpleegkundige of de buurvrouw mee worstelden: moest ik, moest iemand haar redden?

Een puber gezelschap houden

Aan de ene kant: als een veertienjarige eenzaam is, vinden we dit bij het leven horen. Je zou in ieder geval geen vrijwilliger langs sturen om deze puber gezelschap te houden, hoogstens zou je hem of haar wat sociale vaardigheden willen bijbrengen. Wat maakt ouderen dan zoveel anders? Ook moet ik bij sociale contacten met vrijwilligers altijd denken aan de woorden van een vriend, die stelde dat je pas écht voelt dat je bestaat, als je oprechte interesse kunt opwekken in andere mensen. Als je vrijwilligers nodig hebt voor je sociale contacten, kan dat dan niet juist het gevoel geven dat je niet de moeite waard bent? Aan de andere kant durf ik te stellen dat deze dame geen eigen relaties meer aan kon gaan. De apathie was te diepgeworteld. Haar vermogen om zelf nog in beweging te komen, was misschien in zekere zin echt ‘stuk’.

Moet de wijnkelder leeg?

Weinig bevredigend erken ik dat ik zelf nog niet oud ben geweest. Uiteindelijk kan ik voor een ander nooit invullen aan welke voorwaarden een goede oude dag moet voldoen. Moet die wijnkelder per se leeg? Moet de huiskamer per se vol? Wat voor mij een onacceptabel bestaan lijkt, is voor haar misschien de epiloog van een rijk leven. Achter de deur van nummer 14 worden nog wat laatste gedachten uitgesproken, om zo het verhaal af te sluiten. En wie anders kan beslissen wanneer de epiloog begint, dan de auteur zelf?

meer informatie

Reageren

Auteur

Thomas Puvill

Thomas Puvill

Psycholoog Thomas Puvill doet promotieonderzoek bij kennisinstituut Leyden Academy on Vitality and Ageing. Hij onderzoekt hoe het kan dat de levenstevredenheid van 85-jarigen hoog blijft, ondanks ziekte en gebreken.